LJN: BZ5116, Hoge Raad , CPG 12/02540

Conclusie PG: In deze conclusie staat een verbroken fiscale eenheid in de zin van de omzetbelasting centraal. In 2002 en 2003, jaren waarin de fiscale eenheid bestond tussen A, B BV (de Holding) en C BV (de Werkmaatschappij) heeft de Werkmaatschappij wegens verrichte prestaties facturen uitgereikt. De daarop vermelde omzetbelasting is door de fiscale eenheid voldaan. De facturen zijn onbetaald gebleven. Medio 2005 is de Werkmaatschappij uit de fiscale eenheid getreden. Vanaf eind 2007 bestaat in het geheel geen fiscale eenheid meer. Kort daarna (eind 2007 en 2008) worden op naam van de (oorspronkelijke) fiscale eenheid verzoeken om teruggaaf gedaan op de voet van artikel 29, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). De Inspecteur(2) heeft de verzoeken om teruggaaf bij beschikking niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft hij bij dezelfde beschikking een teruggaaf verleend tot een lager bedrag dan het totaalbedrag waarom was verzocht in de teruggaafverzoeken. Het ambtshalve gerestitueerde bedrag betreft (de omzetbelasting vermeld op) facturen die oninbaar zijn geworden voordat de Werkmaatschappij uit de fiscale eenheid trad. Naar het oordeel van hof ‘s-Gravenhage (hierna: het Hof) heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf. Het Hof overweegt kort gezegd dat de verzoeken te laat zijn ingediend en dat – indien en voor zover de verzoeken niet te laat zijn ingediend – niet belanghebbende, maar de (curator van de) Werkmaatschappij had moeten verzoeken om teruggaaf. De vragen in deze cassatieprocedure zijn (i) of deze verzoeken tijdig zijn ingediend en – zo ja – (ii) of de juiste ondernemer de verzoeken heeft ingediend. Voordat zij ingaat op de tijdigheid van de verzoeken en de vraag of de juiste ondernemer de verzoeken heeft ingediend, behandelt A-G Van Hilten eerst wie belanghebbende is. Zij merkt op dat dat laatste in deze zaak is wat schimmig is. De verzoeken om teruggaaf zijn ingediend namens de oorspronkelijke fiscale eenheid, maar de teruggaafbeschikking is gericht tot de fiscale eenheid in de samenstelling ná het uittreden van de Werkmaatschappij. In de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep wordt de oorspronkelijke fiscale eenheid minus de Werkmaatschappij als belanghebbende geduid. Het is vervolgens de Holding (die ook nog eens een naamsverandering heeft ondergaan) die beroep in cassatie instelt ‘als rechtsopvolger van de fiscale eenheid’. Essentieel in deze kluwen zijn volgens de A-G de verzoeken om teruggaaf. Daarvan uitgaande, meent A-G Van Hilten dat gesteld kan worden dat de oorspronkelijke fiscale eenheid (inclusief de Werkmaatschappij) aanspraak heeft gemaakt op de teruggaaf. Vervolgens bespreekt A-G Van Hilten het eerste pijnpunt in deze conclusie: het tijdstip waarop een verzoek om teruggaaf op grond van artikel 29, lid 1, van de Wet uiterlijk kan worden ingediend. In beginsel dient een teruggaafverzoek te worden ingediend bij de aangifte over het tijdvak waarin is komen vast te staan dat de vergoeding (geheel of gedeeltelijk) niet is en zal worden ontvangen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt de A-G af dat bij de vaststelling van dat tijdstip een zekere beoordelingsmarge bestaat, maar dat de teruggaaf uiterlijk dient te worden gevraagd bij de aangifte over het (eerste) tijdvak waarin betaling van de vergoeding in rechte niet meer kan worden gevorderd. In casu staat haars inziens geenszins vast dat de verzoeken om teruggaaf alle te laat zijn ingediend. A-G Van Hilten leidt dat af uit de gedingstukken en de stellingen van partijen. In zoverre slaagt derhalve het cassatiemiddel. Of het leidt tot cassatie, is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of de juiste ondernemer om teruggaaf heeft verzocht. A-G Van Hilten komt dan toe aan het tweede pijnpunt in deze zaak: wie moet verzoeken om de teruggaaf. Het is de oorspronkelijke fiscale eenheid die de belasting (in 2002 en 2003) verschuldigd is geworden, en dat betekent volgens de A-G dat het in beginsel die fiscale eenheid is die recht heeft op teruggaaf, en daarom moet verzoeken. Het probleem is echter dat de fiscale eenheid ten tijde van de verzoeken om teruggaaf is uiteengevallen. Het komt A-G Van Hilten voor dat, indien ná het verbreken van de fiscale eenheid is komen vast te staan dat de betaling niet meer zal worden ontvangen, de aanspraak op teruggaaf op de voet van artikel 29, lid 1, van de Wet in het licht van artikel 3a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, is weggelegd voor het onderdeel van de fiscale eenheid tot wiens bedrijfsvermogen de vorderingen op de in gebreke blijvende debiteuren civielrechtelijk behoren. Uit de vaststaande feiten volgt dat dit in casu de Werkmaatschappij is. Voor zover de verzoeken om teruggaaf al tijdig zijn ingediend, heeft het Hof volgens A-G Van Hilten derhalve terecht geoordeeld dat de verzoeken om teruggaaf zijn ingediend door een ondernemer die op de teruggaven geen recht had. De verzoeken om teruggaaf zijn immers ingediend namens de (oorspronkelijke) fiscale eenheid en niet door de Werkmaatschappij. A-G van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren. 1 Op de tot de gedingstukken behorende kopie van de uitspraak is abusievelijk het kenmerk 09/00353 vermeld. 2 Inspecteur van de Belastingdienst.

Via LJN: BZ5116, Hoge Raad , CPG 12/02540

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s