CJEU – C‑138/12

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11 Op 15 augustus 2009 deed Rusedespred aan Esi Trade EOOD (hierna: „Esi Trade”) een factuur toekomen die betrekking had op de verkoop van een gebouw en de renovatie ervan.

De factuur vermeldde de prijs van dat gebouw en de renovatie ervan, het bedrag van de aankoopbelasting en de registratierechten, alsmede het bedrag van de btw.

12 Aangezien de verkoop van dat gebouw van btw was vrijgesteld, werd de belasting berekend op basis van de drie andere posten op de factuur, te weten de renovatiekosten, de aankoopbelasting en de registratierechten.

13 Nadien nam Rusedespred die factuur in haar belastingaangifte voor de betrokken periode op, en oefende Esi Trade haar recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw uit.

14 In de loop van 2010 werd Esi Trade door de belastingdienst gecontroleerd, die deze vennootschap het recht op aftrek van de op de betrokken factuur vermelde btw bij wijzigingsaanslag van 18 juni 2010 ontzegde. Volgens de belastingdienst waren alle gefactureerde handelingen vrijgesteld, zodat de btw ten onrechte op deze factuur was vermeld. De wijzigingsaanslag is op 4 april 2011 definitief geworden.

15 Op 9 mei 2011 heeft Rusedespred een verzoek tot teruggaaf van het ten onrechte gefactureerde bedrag ingediend bij de belastingdienst, die een controle van deze vennootschap heeft bevolen en de gevraagde teruggaaf bij wijzigingsaanslag van 2 juni 2011 heeft geweigerd op grond dat er geen reden was om vast te stellen dat Rusedespred onverschuldigde btw-betalingen had verricht. Overeenkomstig artikel 85 ZDDS diende Rusedespred immers de btw te voldoen die zij had vermeld op de door haar op 15 augustus 2009 uitgeschreven factuur.

16 Nadat de Direktor de wijzigingsaanslag van 2 juni 2011 bij beschikking van 25 augustus 2011 had bevestigd, stelde Rusedespred beroep in bij de Administrativen sad Varna op grond dat de belastingdienst de teruggaaf van de over de vrijgestelde levering onverschuldigd voldane btw ten onrechte had geweigerd, gelet op het feit dat hij tevoren een definitieve wijzigingsaanslag had vastgesteld waarbij hij de ontvanger van de factuur het recht op aftrek van die btw had ontzegd.

17 In de loop van het hoofdgeding betoogde de Direktor dat de op de litigieuze factuur vermelde belasting verschuldigd was ingevolge artikel 85 ZDDS. Volgens hem kan een belastingplichtige die stelt bij het uitschrijven van die factuur een vergissing te hebben begaan, deze vergissing overeenkomstig artikel 116 ZDDS corrigeren.

18 De verwijzende rechter merkt op dat in casu Esi Trade het recht op aftrek van de gefactureerde btw bij een definitieve wijzigingsaanslag is ontzegd. Volgens hem is het gevaar voor verlies van btw als gevolg van het recht op aftrek „volledig en ontegensprekelijk” uitgeschakeld. Het zou volgens hem dan ook in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit om de betrokken leverancier op grond van artikel 85 ZDDS te verzoeken om die btw te voldoen.

19 De verwijzende rechter verklaart dat Rusedespred, anders dan de belastingdienst stelt, in casu niet de mogelijkheid had om de onjuiste factuur te corrigeren. Volgens de verwijzende rechter dient een onjuist belastingdocument te worden geannuleerd overeenkomstig de in artikel 116 ZDDS geregelde procedure tot correctie van onjuiste documenten. Een dergelijke annulering van de factuur is volgens hem evenwel niet toegestaan, aangezien de levering reeds aan een belastingcontrole is onderworpen en de ontvanger van de levering het recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw bij een definitieve wijzigingsaanslag is ontzegd.

20 In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich af of de belastingplichtige zijn recht op teruggaaf van bij vergissing gefactureerde btw kan baseren op de voor het gemeenschappelijke btw-stelsel geldende Unierechtelijke beginselen. Aangezien de Administrativen sad Varna van oordeel is dat de beslechting van het geding afhangt van de uitlegging van het Unierecht, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  1. Is een belastingplichtige overeenkomstig het beginsel van de btw-neutraliteit gerechtigd om binnen de gestelde verjaringstermijn te verzoeken om teruggaaf van ten onrechte gefactureerde en niet-verschuldigde btw, wanneer de levering waarover hij de belasting in rekening heeft gebracht volgens het nationaal recht vrijgesteld is, het gevaar voor verlies van belastinginkomsten uitgeschakeld is en de nationale wettelijke regeling voor correctie van de factuur niet van toepassing is?
  2. Verzetten het gemeenschappelijke btw-stelsel, het neutraliteits‑ en het doeltreffendheidsbeginsel, alsmede het beginsel van gelijke behandeling zich ertegen dat een belastingdienst op basis van een nationale bepaling tot omzetting van artikel 203 van richtlijn 2006/112 een belastingplichtige de teruggaaf weigert van de btw die hij op een factuur heeft vermeld, terwijl deze belasting niet verschuldigd is omdat de levering is vrijgesteld, maar ten onrechte is gefactureerd, aangerekend en betaald, en een definitieve wijzigingsaanslag de afnemer het recht op aftrek van voorbelasting over die levering reeds heeft ontzegd op grond dat de leverancier deze btw ten onrechte heeft gefactureerd?
  3. Kan de belastingplichtige zich rechtstreeks beroepen op de voor het gemeenschappelijke btw-stelsel geldende beginselen, meer bepaald op het beginsel van de btw-neutraliteit en het doeltreffendheidsbeginsel, om zich te verzetten tegen een nationale regeling of de toepassing ervan door de belastingdiensten of de rechterlijke instanties, die deze beginselen schendt, of tegen het ontbreken van een dergelijke regeling dat schending van deze beginselen oplevert?”

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht

  1. Het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals dat door de rechtspraak betreffende artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde is geconcretiseerd, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de belastingdienst op basis van een nationale bepaling ter omzetting van dit artikel de persoon die een vrijgestelde levering heeft verricht de teruggaaf van de bij vergissing aan zijn klant gefactureerde belasting over de toegevoegde waarde weigert op grond dat deze leverancier de onjuiste factuur niet heeft gecorrigeerd, terwijl de belastingdienst de klant het recht op aftrek van die belasting over de toegevoegde waarde definitief heeft ontzegd, waardoor de nationale wettelijke correctieregeling niet meer van toepassing is.
  2. Een belastingplichtige kan zich beroepen op het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals dat door de rechtspraak inzake artikel 203 van richtlijn 2006/112 is geconcretiseerd, om zich te verzetten tegen een bepaling van nationaal recht die voor de teruggaaf van bij vergissing gefactureerde belasting over de toegevoegde waarde als voorwaarde stelt dat de onjuiste factuur is gecorrigeerd, terwijl het recht op aftrek van die belasting over de toegevoegde waarde definitief is geweigerd, waardoor de nationale wettelijke correctieregeling niet meer van toepassing is.

Via  C‑138/12

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s