Verlegging invoer-btw mogelijk indien jacht niet voor eigenaar is bestemd

Een motorjacht, dat in eigendom is van een op Guernsey gevestigde vennootschap (hierna: A), is verhuurd aan een Arubaanse vennootschap (hierna: B). Deze vennootschap verhuurt het jacht aan een Nederlandse B.V. (hierna: de B.V.), die het jacht op haar beurt verhuurt aan de enig aandeelhouder van de op Guernsey gevestigde vennootschap (hierna: C). Het jacht is op een Nederlandse werf gebouwd en in de internationale wateren (zonder btw) overgedragen aan A. In 2003 heeft de Nederlandse B.V. het jacht aangegeven bij de douane voor het vrije verkeer.

Zij heeft vervolgens, met toepassing van de verleggingsregeling van art. 23 Wet OB, de ter zake verschuldigde btw op aangifte voldaan en meteen in aftrek gebracht. De inspecteur is van mening dat de B.V. ten onrechte de verleggingsregeling heeft toegepast en heeft de B.V. daarom een uitnodiging tot betaling van 19% btw over de aangegeven douanewaarde van het jacht (ruim € 4,5 miljoen) gestuurd.

In deze zaak is zowel door de rechtbank als door het hof geoordeeld dat de inspecteur de B.V. terecht heeft uitgenodigd tot betaling van de btw, omdat de B.V. de aangever van de invoer bij de douane is. De B.V. had de verleggingsregeling niet mogen toepassen, omdat het voertuig niet voor haarzelf, maar voor C bestemd was. De B.V. is daarop in cassatie gegaan.

A-G Van Hilten heeft de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep ongegrond te verklaren, aangezien naar haar mening slechts de ‘eigenaarsmacht-houder’ de verleggingsregeling van art. 23 mag toepassen en de B.V. de verleggingsregeling derhalve onterecht heeft toegepast. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep evenwel gegrond. Naar het oordeel van de Hoge Raad is de toepassing van art. 23 niet beperkt tot de ‘eigenaarsmacht-houder’.

Indien degene die het jacht heeft aangegeven bij de douane voor het vrije verkeer btw-ondernemer is, is niet meer vereist dan dat deze btw-ondernemer de verschuldigd geworden btw op de eerstvolgende aangifte voldoet en de goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten uit een derde land betrokken heeft dan wel ten tijde van binnenkomst in Nederland hiervoor gebruikt. Naar het oordeel van de Hoge Raad hoeft de toepassing van de verleggingsregeling evenmin achterwege te blijven indien sprake zou zijn van misbruik van recht, zoals de inspecteur heeft aangevoerd.

Via BTW-PLAZA | btw-kennis | btw-nieuws | btw-advies | Actueel btw-nieuws.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s